Opdrachtgevers komen zelden met een heldere vraag. Ze komen met een gevoel. Met irritatie. Met urgentie. Met zinnen als: “Het klopt niet meer” of “We moeten hier iets mee.”
Dat is prima. Dat is meestal precies waar het interessant wordt.
Ik begin daarom niet met schrijven, maar met kijken. Met luisteren. Met het langzaam uit elkaar halen van wat in eerste instantie als één probleem wordt gepresenteerd, maar dat zelden is. Tekst is bij mij geen startpunt, maar sluitstuk. Eerst denken. Dan pas formuleren.
De vraag die niet gesteld wordt
Achter elke opdracht zit een vraag die niet hardop wordt uitgesproken. Omdat hij ongemakkelijk is. Of politiek. Of omdat niemand er verantwoordelijk voor wil zijn. Mijn werk begint daar. Bij het ontleden van die onuitgesproken laag. Wat wordt hier werkelijk bedoeld? Wat mag er niet gezegd worden? En wie heeft daar belang bij?
Zodra die vraag zichtbaar wordt, verliest de opdracht haar vaagheid. En krijgt tekst een functie.
Context, belangen en ongemak
Geen organisatie bestaat in een vacuüm. Er zijn structuren, gevoeligheden, hiërarchieën en voorkeuren. Analyse betekent ook: zien waar taal wordt gebruikt om te sussen, te vertragen of te verhullen. Dat benoemen is zelden gezellig, maar vaak noodzakelijk. Wie daar moeite mee heeft, merkt dat meestal vrij snel. Wie daar juist op hoopte, ook.
Geen stappenplannen
Ik werk niet met vaste trajecten, formats of fases met Engelse namen. Elke opdracht vraagt om een eigen benadering, afgestemd op onderwerp, context en gewenste scherpte. Dat maakt het minder voorspelbaar, maar wel effectiever.
Structuur vóór stijl
Ik schrijf geen teksten die achteraf logisch lijken. Ik schrijf teksten die vooraf doordacht zijn. Eerst bepaal ik wat een lezer moet begrijpen, voelen en erkennen. Pas daarna volgt de formulering. Dat voorkomt zinnen die lekker lopen, maar nergens heen gaan. Stijl is belangrijk. Structuur is beslissend.